DE DROOM VAN EEN PARAGNOST

Jaarlijks worden zo'n 3500 personen officieel als vermist gerapporteerd. In plm 80% van de gevallen wordt de verdwijning snel opgelost. Voor de helft van de resterende 20% duurt het iets langer, en in zo'n 300 gevallen blijven nasporingen vruchteloos. Lang niet alle vermissingen van langere duur halen de landelijke media: het zou neerkomen op één vermelding per dag, en tegen de tijd dat de verdwijning definitief is, heeft het geen nieuwswaarde meer, tenzij het een bekend persoon betreft.

Het zijn juist deze gevallen die het werkgebied vormen voor mensen die ervan overtuigd zijn dat zij langs para-normale weg relevante kennis kunnen opdoen betreffende de huidige verblijfplaats van de vermiste. Ze noemen zich paragnost.

Mochten de nasporingen van de politie uiteindelijk toch resultaat opleveren, en bestaat er overeenkomst tussen (sommige) paragnostische uitspraken en de feitelijke gang van zaken als gereconstrueerd, dan levert dit kopij voor sommige media.

Ineke Keizer

Het meest recente geval dat zo deze media haalde (althans terwijl ik dit schrijf, nov 1989) betreft de verdwijning van een eerstejaars studente aan de kunstacademie te Kampen. Ze werd voor het laatst in leven gezien op de hete zomerdag van 23 mei 1989, omstreeks 17.00 uur. Normalerwijs zou pieteit jegens de nabestaanden iemand er van weerhouden op details in te gaan, maar dit geval werd breed uitgemeten in diverse publicaties. Laat mij dus ook wat schroom opzij zetten.

De diverse verslagen stemmen niet in detail overeen, maar de discrepanties zijn niet doorslaggevend. Aan de Kamper Courant, het Nieuw Kamper Dagblad, De Telegraaf van 13 en van 27 oct 1990, Privé van 17 nov 1990 (je wilt ook wel eens weten wie onze volgende koningin is, nietwaar? Ze heet Yolande, mocht het u interesseren), Aktueel van 15 nov 1990, een interview met de persvoorlichter van de Kampense politie, dhr Kloppenburg, telefonisch contact met een betrokkene die anoniem wenst te blijven en een persoonlijke inspectie ter plaatse ontleen ik het volgende:

De studente, de 30-jarige Ineke Keizer, was suikerpatiente, onervaren autorijdster, had watervrees en woonde op kamers in Dronten. Toen haar ouders haar de volgende dag, dus op 24 mei, telefonisch niet konden bereiken, werd de politie ingeschakeld. Aangezien ook haar auto, een Susuki, spoorloos was, en Ineke niet als depressief gold, rees al snel het vermoeden dat zij per ongeluk tewater geraakt kon zijn. Blijkbaar waren er redenen om aan te nemen dat Ineke van plan geweest was om regelrecht naar huis te rijden; geen van de verslagen vermeldt dit echter.

Het water langs de weg Kampen - Dronten is grotendeels aan de ondiepe kant, dus lag het voor de hand een zoektocht per vliegtuig in te stellen. Zonder resultaat. Ook dreggen in de diepere gedeelten langs deze route leverde niets op. Bleef over de IJssel, die op dat moment een hoge waterstand had. Ook hiervan werd een groot stuk afgedregd, wederom zonder resultaat.

Minder dan drie weken later werd een lustmoord gepleegd op een studiegenote van Ineke. Het eiste de volle aandacht van de politie op. Hoewel verband tussen beide gevallen niet uitgesloten werd, waren er geen aanwijzingen in deze richting. Een TV-oproep om medewerking van het publiek op 19 nov 1989 leverde weliswaar tientallen tips op, waaronder een aantal paragnostische, maar deze hielpen de politie geen stap verder. Toen de moordenaar uiteindelijk gevat werd, bleek uit het verhoor dat hij althans met de zaak Ineke niets uit te staan had.

Paragnosten
(Hier de heer Heiligers)

Aangezien de politie wat betreft Ineke Keizer geen vooruitgang boekte, nam de familie van Ineke z'n toevlucht tot paragnosten. Toen ook nu aanvankelijk de oplossing van het raadsel niet naderbij kwam, werd op advies van de para-psycholoog Drs Neu, die bekendheid verwierf bij het natrekken van helderziende tips in het geval Gerrit Jan Heijn, de paragnost Cor Heijligers ingeschakeld, iemand met wie Drs Neu naar zijn zeggen goede ervaringen had opgedaan.

Tegen het einde van 1989 bezocht de heer Heijligers de plaatsen die in aanmerking kwamen voor de auto-te-water hypothese, en ook hij kreeg sterk het gevoel dat in de IJssel gezocht moest worden. Het was hem namelijk opgevallen dat hier en daar de parkeer-kade niet van het water gescheiden was door een barriere. De politie zelf had dit echter ook al bekeken, en had nergens schraapsporen kunnen vinden die het chassis van een auto in zo'n geval redelijkerwijs had moeten achterlaten op de rand van de kade.

Heiligers drong er in 1990 diverse keren op aan zijn tip toch na te trekken. Of dit nu doorslaggevend was doet hier niet ter zake; het onderzoek werd in ieder geval weer opgevat.

De ontknoping

In october waren de omstandigheden gunstig: laag water in de IJssel en dus lage stroomsnelheid. Eerst werd overwogen gebruik te maken van Sonar-apparatuur van de Rijkswaterstaat, maar uiteindelijk werd gekozen voor een goedkopere methode: een duikoefening van de brandweer. Begonnen werd op de daarvoor het meest voor de hand liggende plaats: ergens langs de IJssel-oever vlak bij de Kunstacademie waar de barriere ontbreekt omdat het eigenlijk niet voor parkeerplaats in aanmerking komt, maar waar een kleine auto toch had kunnen staan. Het was meteen raak.

Reconstruerend moet het slachtoffer, bevangen door de warmte?, insuline-shock?, bevreesd voor het water?, wie zal het zeggen?, een schakelfout gemaakt hebben en pardoes het water ingereden zijn. De afwezigheid van sporen valt allicht terug te voeren op het feit dat de kade-rand in Kampen bestaat uit ruw graniet en niet uit glad beton. Maar waarom niemand dit heeft zien gebeuren, aangenomen dat het kort na 17.00 uur voorviel, blijft een raadsel.

De feiten totzover staan niet ter dispuut. De uitleg echter wel. Uiteraard is het relaas in Privé sterk op de hand van Heijligers, zijnde door hem gedicteerd, terwijl de politie eerder skeptisch is en zich tot de feiten beperkt. Aktueel neemt een neutrale tussen-positie in: het contrasteert de visie van Heijligers met die van een skeptisch para-psycholoog, Wim Kramer, die op ervaringsgronden de waarde van paragnosie aanvecht.

Wat onderbelicht blijft in alle verhalen is de persoon van Cor Heijligers zelve. Daarom werd hij door mij benaderd om wat algemene achtergronden te schetsen van zijn werkmethode.

"Cor Heijligers is anders"

De heer Heijligers is een 70-er, die er duidelijk uitgesproken meningen op na houdt, en deze kracht bijzet door voortdurend naar zichzelf te verwijzen als "Cor Heijligers" als ware hij een instituut. Maar "Cor Heijligers is anders dan de anderen". Ook is hij sterk geneigd je in de rede te vallen, en weinig begrip op te brengen voor mensen die aan hem twijfelen. Deze zijn te verdelen in broekies die afgedaan worden met "shit" (Piet Hein Hoeben), "gek" (Wim Kramer), "geleende wijsheid" (drs Neu), "arrogant" (de politie, de redactie van Aktueel, kortom allen die niet zijn visie aanhangen). Waar de leeftijd niet verant-woordelijk gesteld kan worden, zijn niet-medestanders "dom" (maar "domheid is niet meetbaar"), "klein" (Tenhaeff), "twee handen op een buik" (Tenhaeff en Croiset) of tenslotte "seniel" (Bender). Het maakt een verfrissend verschil met andere para-normaal begaafden die hun collegas slechts 'charlatans' noemen zonder verdere specificatie.

Heijligers' belangstelling voor het para-normale werd voor het eerst gewekt gedurende een toneel-demonstratie van telepathie. Dat de telepaat in kwestie later ontmaskerd werd als een bedrieger die onder z'n blinddoek uitgluurde deed bracht de heer Heijligers niet tot andere gedachten. Want kort daarna onderging hij zelf een para-normale ervaring: de verschijning van een dierbare jeugdvriend van wie als SS-er enige tijd niet meer gehoord was, en die naar alle waarschijnlijkheid gesneuveld was aan het Oostfront. Toen zijn broer kort daarna hetzelfde lot trof, herhaalde zich dit fenomeen.

Dit was voor de heer Heijligers aanleiding om zich vanaf 1951, dus op 30-jarige leeftijd, te specialiseren in de paragnosie, waarvoor hij naar zijn overtuiging over een bijzondere affiniteit beschikte, een affiniteit in de loop van de tijd aangevuld door een diepgaande studie van de para-psychologie.

De lastige vraag (mijnerzijds) hoe je nu kunt discrimineren tussen charlatans (mijn woordkeuze dus) en vakmensen bleek af te hangen van de bevestiging achteraf. En "niet ieder moet in vermissingszaken rommelen". Zelf werd hij naar zijn zeggen de afgelopen 40 jaar geconsulteerd in ruim 300 zaken.

Aanvankelijk gaf hij zijn adviezen ongevraagd, om naamsbekendheid te verwerven, maar toen die eenmaal gevestigd was onthield hij zich verder van het zoeken van de publiciteit: hij werd door belanghebbenden zelf benaderd, soms direct, soms op aanbeveling van bijv drs Neu (in deze context "befaamd psycholoog") en prof Bender.

Gevraagd naar de betrouwbaarheid van zijn uitspraken beperkte Heijligers zich tot het antwoord dat hij, als het om leven of dood ging, hoger scoorde dan 70%. De 17 controleerbare missers ("mensen zijn soms te beroerd en ellendig om te berichten") waren alle aan de "positieve" kant. Negatief zou zijn iemand als nog in leven te verklaren die dit in feite niet meer is; met positief is dat net andersom.

Maar ook in andere opzichten was de heer Heijligers merkwaardig nauwkeurig. Zo nam hij bijv in de ontvoeringszaak Gerrit Jan Heijn een groot Oranjeboom reclamebord waar. En een dergelijk bord bleek te hangen in Landsmeer, de woonplaats van ontvoerder Ferdie E. In de ontvoeringszaak van mw Van der Valck wees hij Nieuwe Schans, op 8 km van de Duitse grens, aan als de plaats waar zij vrijgelaten zou worden. Weliswaar werd mw Van der Valck vrijgelaten aan de Belgische grens, maar deze discrepantie wordt begrijpelijk als je weet dat de heer Heijligers toenmaals regelmatig dineerde in een Van der Valck restaurant in Hoogezand, evenals Nieuwe Schans in de provincie Groningen gelegen. En tenslotte "kunnen artsen ook niet altijd de juiste diagnose stellen". Overigens: de heer Heijligers tilt wel zwaar aan kleine onnauwkeurigheden in feitelijke verslagen van anderen, ook als ze niet hemzelf betreffen, waarover straks.

Wat eerst aan de orde is: hoe komt de heer Heijligers tot zijn uitspraken? Hier spelen twee fenomenen een rol, de één onafhankelijk van de ander, volgorde willekeurig. Het tijdsverloop tussen de oorspronkelijke gebeurtenis en het fenomeen speelt hierbij geen rol, tenzij het een kwestie van zeg 40 jaren is. Het ene verschijnsel doet zich voor bij inspectie ter plaatse. De heer Heijligers geraakt hierbij in een trance-toestand, waarbij "de geest van de overledene bezit van mij neemt". Mochten hierbij getuigen aanwezig zijn die van twijfel doen blijken omtrent Heijligers' para-normale gaven, geen nood: "de overledene wordt dan mijn opdrachtgever".

Het tweede vindt plaats, in bed gelegen, en "droomuittreding" genoemd. Dan "verlaat je geest, ongevraagd, je stoffelijk lichaam en gaat als het ware op reis". Deze reis gaat in vogelvlucht, waarbij meer waargenomen wordt dan van de grond mogelijk zou zijn. Het lijkt erop dat de geografische nauwkeurigheid wel enigszins lijdt onder deze vogelvlucht. De feitelijke vindplaats van de Suzuki lag op meer dan 300 meter (volgens de politie) c.q. 100 meter (volgens de heer Heijligers) verwijderd van de para-normaal waargenomen plaats.

Het zal opgevallen zijn dat de heer Heijligers geen gebruik maakt van een 'inductor' (de naam die gegeven wordt aan een voorwerp dat aan een vermist persoon toebehoord heeft). Integendeel, zo'n inductor zou volgens hem aanleiding kunnen zijn tot het volgen van dwaalsporen. Dit lijkt mij een waardevolle bijdrage tot de theorievorming rond de parapsychologie.

(Dit verslag werd oorspronkelijk geschreven voor cogniscendi; voor leken even ter verdere verduidelijking: de rol van zo’n inductor is dus niet te verwarren met een voorwerp dat aan een politie-speurhond aangeboden wordt om een mogelijk geurspoor vast te leggen. Bij een inductor gaat het om een onstoffelijke emanatie. Of iets van dien aard).

Een alternatief

Mocht u nu op de een of andere manier de indruk gekregen hebben dat ik persoonlijk niet overtuigd geraakt ben van de betrouwbaarheid van de door de heer Heijligers gebezigde methoden dan kan ik dit bevestigen door een alternatieve versie ter verklaring aan te dragen.

Laat mij als uitgangspunt nogmaals Cor Heijligers zelf aanhalen (ontleend aan een kranten-interview):

". . . paragnosten hebben net zo goed met feitelijkheden te maken". En daar zou de kneep kunnen zitten. Wat nuchter speurwerk kan ook verantwoordelijk gesteld worden (ofwel: "Je moet het kind niet met het badwater weggooien", al zal Heijligers dat anders bedoeld hebben):

* we hebben al gezien dat Heijligers zich in principe orienteert ter plaatse en zodoende, althans grotendeels, over dezelfde gegevens beschikt als de politie

* een paragnost die zich veelvuldig bemoeit met vermissingszaken zou in sommige opzichten meer ervaring kunnen hebben dan een politiekorps dat zulke gevallen slechts nu en dan te behandelen krijgt

* een zekere stereotypie in de benadering kan geen kwaad, tenminste als deze bestaat uit verwijzing naar de rol van water zoals de heer Heijligers vaak doet. In een waterrijk land als Nederland zit je dan al gauw goed; in een voorgaand geval dat ik mocht onderzoeken (zie Skepter juni 1989, betreffende paragnoste Clasina Kastermans te Zutphen) bestond de stereoptypie uit "militairen", in deze tijd van ontspanning wat minder gelukkig gekozen.

* het valt niet uit te sluiten dat de mogelijkheid bestaat dat direct betrokkenen tegenover een paragnost onwillekeurig meer loslaten dan tegenover de onderzoekende instanties, eventueel via 'cold reading', het uithoren van iemand zonder dat deze zich dit realiseert.

Droom of nachtmerrie?

En in het algemeen gesproken kan stom toeval ook een rol spelen. Daarbij een handje geholpen door het grote aantal paragnostische tips waaruit de politie een keuze kan doen, en waaruit slechts de waarachtige gelover feilloos juist de ene tip selecteert. Achteraf.

Het zal voor sommigen overigens als een verrassing komen dat de politie wel degelijk aandacht schenkt aan paragnostische tips. Maar slechts als tegemoetkoming en geruststelling jegens de nabestaanden, niet als waardevolle bijdrage aan het eigenlijke speurwerk. Zou zij dit wel doen, dan zou bijv onderzoek vroegtijdig gestaakt worden in het geval van 'positieve' missers à la Heijligers. Positieve missers zijn .... weet u nog wel? Het waren er tenminste 17 uit 300. Het verleent Heijligers' uitspraak: "Je moet het kind niet met het badwater weggooien" een wat navrante ondertoon.

Ook blijf ik zitten met een ongemakkelijk gevoel. Want wat wil het toeval? De uiteindelijke aanleiding tot bovenstaand verhaal was een (overigens zeer op prijs gestelde) brief van de heer Heijligers aan de redactie van Skepter. In deze brief nam hij zeer breedvoerig afstand tot ietwat onnauwkeurige rapportage van de feiten rond een volledig ander geval dat reeds geruime tijd geleden plaats vond. Dit voor het geval de redactie van Skepter hier aandacht had willen schenken, wat me erg vergezocht lijkt. Pas aan het einde van deze brief, gedateerd 24 october (d.w.z. één dag voor de ontknoping), vermeldde hij, terloops:

"Ik deel U tevens nog mede dat op mijn verzoek na 11/2 jaar een grootscheeps onderzoek gedaan zal worden door de Rijkspolitie te water naar een vermiste vrouw, ik werd tijdens het typen van deze brief door de rijkspolitie te water gebeld en had een heel goed gesprek met de commandant van de waterpolitie ergens in Nederland".

Wel "vermiste vrouw", geen Ineke Keizer. Wel "ergens in Nederland", geen Kampen. Waarom niet? Helderziendheid of een geval van 'Bij kruis win ik, bij munt verlies jij'?

En geen publiciteit zoeken? Ik ben er (met open ogen) ingelopen. Graag gedaan trouwens.

En mocht de heer Heijligers mij nu op mijn beurt over de hekel willen halen, dan toch niet als broekie. Zo veel jonger dan hijzelf ben ik nu ook weer niet. En seniel? Ik ben wèl jonger.


Naschrift

De heer Heijlijgers was niet blij met de aandacht die ik aan zijn gedachtegoed besteed had. Mijn schot voor de boeg wat betreft eventuele karakterisering van mijn persoon wierp vruchten af: hij deed mij af als een gelegenheidsschrijver, want:

  1. ik had zijn naam consequent verkeerd gespeld. (Inderdaad, en hierbij amende honorable. )
  2. De uitdrukkingen ‘shit’, ‘seniel’ en ‘gek’ bezigde hij nooit (die andere dus wel!), want ze stonden niet op de opnamen die ik gemaakt had van ons gesprek (en waarvan ik hem op zijn verzoek een copie gestuurd had.).

Tja, maar een gelegenheidsschrijver maakt wel eens aantekeningen als de casetteband vol is.

Er verscheen een uitvoerige bespreking van Heilijgers en zijn werk in Skepter van september 1992, waarin o.a. zijn wat korzelige persoonlijkheid breed uitgemeten werd, breder dan ik al gedaan had in bovenstaand artikel.

Cor Heilijgers overleed, zoals hij zelf al voorspeld had, op 1 oct 1992.