Deel 2: Ontwaken uit de trance

"Wat nieuw is in de psychologie is niet waar;
wat waar is in de psychologie is niet nieuw"

Het eerste deel van dit artikel liet de lezer waarschijnlijk in grote verwarring achter. Historisch gegroeide misverstanden (en die zijn hardnekkig: een paranormaal genezer noemt zich nog steeds magnetiseur), vasthouden aan achterhaalde opvattingen, hypnose als verklaring voor genezingen die misschien op een verkeerde medische diagnose berustten, hypnose uitsluitend bekijken vanuit de behaviouristische optiek en tenslotte het inluiden van het nieuwe milennium met hypnose als onmisbaar ingredient van de "vierde stroom" in de psychologie, compleet met extase en wat dies meer zij, wat moet je daar mee aan?

Het kan ook minder extatisch.

Respectabele tegenstanders

Nog in 1971 had de bekende onderzoeker van hypnose Hilgard kritiek van o.m. Theodore Xenophon Barber op het "hypnotische trance paradigma", m.a.w. de totdusver gangbare opvatting dat een speciaal soort onbewuste suggestibiliteit bestaat, afgedaan met de woorden:

" . . . no challenge to the legitimacy of hypnosis as a field of scientific inquiry has been made." (Hilgard, Atkinson & Atkinson)

Twee jaar later moet hij wel een schok gekregen hebben: een hypnotisant, doof op bevel, werd gevraagd zijn vinger op te heffen indien toch "één of ander deel" van hem de stem gehoord had. En de vinger ging omhoog! Zoiets als een medium dat betrapt wordt op bedrog in aanwezigheid van gelovers. Het pijnlijke aan de zaak was dat bleek dat deze opgeheven vinger ook aangaf dat wel degelijk pijn gevoeld werd als afwezigheid van pijn gerapporteerd werd onder hypnose.

Om te redden wat te redden viel, postuleerde Hilgard een "hidden observer", een verborgen waarnemer dus, een deel van ons dat niet beinvloedt werd door de hypnotische trance. Wat al te ad hoc, want dit was in essentie toch de uitdaging van Barber?

Deze laatste was de bekendste criticus van het hypnotische trance paradigma geworden, later bijgevallen door o.m. Spanos. Hun critiek richtte zich tegen veel van de uitgangspunten op het gebied van hypnose van de behaviouristen, de enige met wetenschappelijke pretenties. Zonder het centraal te stellen gingen ze in op een probleem dat al langer rondspookte: hoe "echt" zijn die hypnotisch opgeroepen verschijnselen nu eigenlijk? Moeten we die zonder meer als louter functioneel beschouwen? 6)

Enkele van hun bezwaren, ontleend aan Barber's artikel in Fromm & Shor (het hol van de leeuw zo te zeggen, m.a.w. je mag aannemen dat hij hierin alle skeptische registers opentrekt) en het voornoemde artikel van Spanos in The Skeptical Inquirer:

* het EEG van iemand onder hypnose toont geen speciale eigenschappen; het is beslist geen slaap.
* toneel-hypnose wordt:
a) uitgevoerd met geselecteerde proefpersonen en
b) catalepsie is niet nodig voor "krachttoeren"
* de rapporten over het hypnotisch verwekken van blaren zijn zeer dubieus
* het verdwijnen van wratten wordt ook bereikt met gebruik- making van een placebo
* pijn is een te paradoxaal verschijnsel om een eventueel hogere pijndrempel te kunnen verklaren uit hypnotische suggestie alleen:
a) soms wordt pijn wel degelijk gevoeld, te oordelen aan gezichts- uitdrukking
b) ook niet- hypnotisanten rapporteren soms minder pijn dan je zou verwachten
c) pijngevoeligheid is voor sommige lichaamsdelen lager dan de leek aanneemt
* regressie naar je jeugdjaren is in de praktijk weinig overtuigend:
a) die Babinsky-reflex manifesteert zich in de praktijk heel anders dan voor het gemak maar aangenomen
was
b) aangeven van juiste dag van de week waarop je verjaardag viel is niet zo moeilijk te berekenen.
En: onder regressie "acteer" je als een kind van een paar jaar ouder.
En: "progressie" naar een nog te bereiken leeftijd "werkt" ook . . .

* regressie naar een vorig leven is al helemaal onlogisch
a) de "feiten" kloppen slechts als historische kennis betreffende de gerapporteerde feiten aanwezig is, hetgeen later nogmaals zeer overtuigend aangetoond werd door Venn in "The Skeptical Inquirer" van zomer 1988
b) bij herhaling van de regressie vervalt iemand soms in een andere rol voor hetzelfde tijdvak, bevestigd door Hilgard in "The Skeptical Inquirer" voorjaar 1981
* op dezelfde manier is er ook een steekje los met rapportage over zaken als hallucinatie, gesuggereerde doofheid en spontane amnaesie.

Barber stelt dat dezelfde verschijnselen "zuiniger" en dus beter verklaard kunnen worden uitgaand van begrippen als suggestibiliteit, verwachtingspatroon, levendig voorstellingsvermogen en motivatie. Voor begrippen als "verborgen waarnemer" en "diepte" van hypnose is al evenmin plaats en hij geeft een op het eerste gezicht overtuigende onderbouwing voor de uitspraak die wel aan hem toegeschreven wordt: "Als niemand meer in hypnose gelooft, verdwijnt het vanzelf".

Voor en tegen

De kritiek van Barber c.s. is niet uit de lucht gegrepen. Algemeen gesproken verdient een "zuiniger" verklaring á la Occam de voorkeur. En voorzover het gaat: manifest gedrag levert een twijfelachtig bewijs voor het bestaan van hypnose. Soms ook krijg je de indruk dat hij een dood paard afranselt 7).
Maar zou het kunnen zijn dat Barber iets tè selectief omgaat met de "feiten" om ze te kunnen weerleggen?

Eén van de autoriteiten die hij aanhaalt om te weerleggen dat regressie "echt" is is het werk van Reiff & Scheerer (1959). Maar deze hadden niet alleen gevonden dat iemand onder hypnotische regressie functioneert als een kind van een paar jaar ouder dan gesuggereerd was. Ze hadden ook een valkuil ingebouwd in hun onderzoek. Twee groepen proefpersonen, hypnotisanten en een controle-groep, werd gevraagd te reageren als een 7 jaar oud kind op het woord televisie. Toen de proefpersonen 7 jaar oud waren bestond televisie echter nog niet. De simulanten gaven een beschrijving van de verworvenheden van televisie, de hypnotisanten vroegen: "Wat is dat". Leden de onderzoekers aan theorie-geladenheid van observatie? Of moeten we Barber zelf daar evengoed van beschuldigen? Met andere woorden, waren de respectievelijke onderzoekers gelovers of niet-gelovers. En . . . had Barber dit niet beter zèlf kunnen vermelden?

Barber maakt het wel heel bont als hij ingaat op het probleem van post-hypnotische suggestie, het uitvoeren van een onder hypnose gegeven opdracht nadat de trance beeindigd is. Hierbij kan hij er niet omheen dat amnaesie ("geheugenverlies") voor de periode tussen het ontvangen van de suggestie en de uitvoering ervan een rol speelt. Hij tracht nu door middel van een soort persoonlijk gedachtenexperiment aannemelijk te maken dat je best bereid bent om suggesties ook in dàt opzicht op te volgen als je geen goede reden hebt om het niet te doen! De humor van zo'n Möbius-trip zal hem wel ontgaan zijn. En blijkbaar ook het feit dat een dergelijk intern proces niet voor inspectie door anderen openstaat.

Zou het niet beter zijn de proef op de som te nemen? Bijvoorbeeld door iemand onder hypnose te suggeren dat hij om middernacht gekweld zal worden door schuldgevoelens wegens het niet retourneren van een boek dat je geleend hebt van je hoogleraar? Het is gedaan. Sterker nog, de student in kwestie realiseerde zich dat het hier een eerder ontvangen post-hypnotische suggestie betrof, want dat was het onderwerp van het practische college psychologie van die dag geweest. Hij besloot dus maar lekker geen gevolg te geven aan zijn opwelling om het boek op dit late uur onmiddellijk terug te brengen. Het bezorgde hem wel een slapeloze nacht, en pas na het retourneren van het boek de volgende morgen kon hij weer normaal functioneren. Het compulsief uitvoeren van een post-hypnotische suggestie is bepaald geen uitzondering, ook al is de opdracht in sociale context gezien wat vreemd. Vaak wordt dan wèl gerationaliseerd om het gedrag aannemelijk te maken. Maar daarvoor bestond in het onderhavige geval totaal geen noodzaak. De test zou hieruit bestaan dat je iemand "zomaar" dezelfde suggestie geeft. Moet je die ook compulsief opvolgen? En heeft dat niet tot consequentie dat je zo redenerend per dag wel wat erg veel suggesties zou moeten opvolgen?

Een tussenbalans

Als we, hier aangeland, terugblikken, vallen drie punten op:

1) gedrag onder hypnose wordt in sterke mate bepaald door wat de hypnotisant aanneemt kenmerkend te zijn voor hypnose (zgn "demand characteristic") en door wat de hypnotiseur hem influistert. (Dit verschijnsel is echter niet voorbehouden aan hypnose en hypnotiseurs: denk maar eens aan alle ophef over het vermeende sexuele misbruik van kinderen in Oude Pekela).
Er is onvoldoende aangetoond dat hypnose hier iets essentieels aan toevoegt.

2) bij gebrek aan een onafhankelijke parameter kan ook het gebruik van controle-groepen geen eenduidig uitsluitsel geven: hoe weet je eigenlijk dat de controle-groep niet eveneens onder hypnose verkeert? De redenatie dat je onder hypnose bereid bent om dingen doet die je normaal niet zou doen wordt maar al te gemakkelijk na-dit-dus-door-dit: die dingen doe je omdat je onder hypnose bent.

3) voor- noch tegenstanders tonen een voorliefde voor de falsificatie van eigen theorieen.

Maar als we het hier bij laten, gooien we dan niet het kind met het badwater weg? Wie iemand een post-hypnotische suggestie heeft zien opvolgen op bevel (of indien de stimulans een bepaald tijdstip is: als je hem hebt zien worstelen met een aandrang die hij zelf als irreëel ervaardt), wie gezien heeft hoe iemand onbekommerd glimlacht om zijn eigen arm-catalepsie, wie gehoord heeft hoe iemand gedetailleerde en wèl correcte en gedetailleerde herinneringen opdiept, die blijft zitten met onbeantwoorde vragen.

Om toch verder te komen, lijkt het verstandig om hypnose weer te benaderen als een staat van bewustzijn. We behoeven ons daarbij in het geheel niet te laten meesleuren door die "vierde stroom": er is na 1960 op dit gebied meer dan genoeg onderzoek gepleegd dat uitgaat van meetbare grootheden en van herhaalbare experimenten.

Meetbare grootheden: hartslag, spierspanning, huidgeleiding etc. En het EEG, maar met een verfijnde analyse van de geregistreerde hersengolven. De aandacht richtte zich in eerste instantie op verschijnselen als orientatie-reactie, habituatie en inhibitie. We spreken van orientatie-reactie als het organisme zich voorbereidt op het ontvangen van nieuwe prikkels; van habituatie bij de afzwakking van deze reactie bij herhaalde aanbieding van dezelfde prikkel en van inhibitie bij het onderdrukken van minder belangrijke prikkels.

Waar het EEG oorspronkelijk uitging van een soort algemene hersenactiviteit en alleen gelet werd op verschillen tussen voor en achter werd nu de activiteit van links en rechts afzonderlijk onder de loep genomen, de zgn lateralisatie.

Een alternatief?

De samenhang van bovenvermelde zaken (en de ook hier opduikende interne tegenstrijdigheden) wordt uitstekend uit de doeken gedaan door Vroon (1976), waarin overigens niet ingegaan wordt op de positie van hypnose; als je echter de beschrijvingen leest van Yoga en Zen-meditatie ontkom je niet aan de indruk dat hypnose in dit kamp thuis hoort. Een meer recent overzicht van onderzoek naar lateralisatie is te vinden in Springer & Deutsch (1981).8)

Het valt buiten het bestek van dit artikel om op alle bevindingen in te gaan; met enige selectieve simplificatie komt het er op neer

a) dat de hersenhelften een voorkeur vertonen voor het verrichten van bepaalde taken.

Links: ("rationeel"). . . . . . . . . Rechts: ("intuitief")
omgaan met taal . . . . . . . . . . . . . ruimtelijk voorstellingsvermogen
"logisch" serieel denken. . . . . . "logisch" parallel denken
tijd als chronologie. . . . . . . . . . . tijd als rhytme
(En communicatie tussen de hersenhelften verloopt beter van links naar rechts dan van rechts naar links: is het iets "weten" van de rechterhelft maar dit niet onder woorden kunnen brengen door de linkerhelft misschien een stukje "onderbewustzijn"?)

b) dat bij ontspanning de rechter hersenhelft een groter aandeel levert in het totaal van menselijk functioneren. Bij vèrgaande ontspanning gaan we op een andere manier om met de wereld; we laten het testen van de werkelijkheid in toenemende mate achterwege, voelen ons afstandelijker. En is ontspanning nu net niet dàt waar voor- en tegenstanders het meestal over eens zijn als noodzakelijke voorwaarde voor het optreden van de omstreden verschijnselen? Ik zou hier aan willen toevoegen, dat het de indruk wekt dat de grens tussen "ik" en de wereld om ons heen verlegd wordt, ten koste van het eigen lichaam: we beschouwen ons lichaam in toenemende mate als deel van de wereld.

Het lijkt me niet te ver gezocht om te speculeren dat de combinatie van lateralisatie en relaxatie verantwoordelijk gesteld kan worden voor enkele van de aan hypnose toegeschreven fenomenen:
*je anoniem voelen maakt het gemakkelijker je extraverter te gedragen (als iemand die een masker draagt in een carnavalsoptocht)
*kennis opdoen gaat veelal gepaard met kennis van de omstandigheden waaronder dat geschiedde;
reconstructie van die omstandigheden door enerzijds minder geobsedeerd te zijn door het tijdstip
waarop en anderzijds een groter voorstellingsvermogen zou het geheugen tehulp kunnen schieten
*ditzelfde voorstellingsvermogen stelt iemand in staat beter toneelspel op te voeren
*afstand nemen tot eigen lichaam vermindert pijngevoel (voorzover dat toch al niet het geval is bij ontspanning!)

Voor post-hypnotische suggestie ligt de verklaring in deze context minder voor de hand. Je bent eerder geneigd om te denken aan een conditioneringsproces. Maar of de omstandigheden om geconditioneerd te worden onder "hypnose" gunstiger liggen dan normaal?

En hier is hypnose voor het eerst tussen aanhalingstekens geschreven. Alle recente onderzoek in aanmerking nemend, begint de vraag of hypnose als afzonderlijke staat van bewustzijn met duidelijk te onderscheiden eigen kenmerken bestaat mijns inziens irrelevant te worden.

Blijft u er dus maar onder verstaan wat u wilt. Met misschien wat meer kennis en meer twijfel tot uw beschikking.

Eén vraag staat nog open: kan hypnose gevaarlijk zijn?

Eigen verantwoording

Gevaarlijk voor wie, en vergeleken met wat?

Een reëel gevaar voor lijf en leden van de hypnotisant bestaat bij minder frisse manieren om hem onder hypnose te brengen. Ik hoop van harte dat een bepaalde pocket (sic) die ik in mijn bezit heb en die deze methoden aanbeveelt inmiddels niet meer verkrijgbaar is.

Ook is een corpulente meneer op je buik minder amusant: als je skeletspieren er niet op berekend zijn, kun je er wel degelijk een hernia mee oplopen.

Bij abrupt uit hypnose komen (uit hypnose komen doe je uiteindelijk altijd, met of zonder hypnotiseur! Rekent dàt niet af met die "verborgen" waarnemer?) kan zich een sterke orientatie-reactie voordoen; het weer opnemen van contact met de dagelijkse werkelijkheid verloopt niet altijd gladjes. Overigens: aangezien hypnose uiteindelijk zelf-hypnose is, kun je ook aan de hand van een bandje (in de handel verkrijgbaar) of een boek in hypnose gaan. Je kunt het ook spontaan. Het lijkt me niet onaannemelijk dat de ervaringen met een out-of-body-experience ("uittreding") op zo'n ongewilde zelf-hypnose berusten.

Een post-hypnotische suggestie kan wel eens wat lang blijven rondspoken en evt door anderen in gang gezet worden

Maar een antwoord op de brandende vraag "Kun je er iemand toe bewegen dingen te doen die hij normaal zou veroordelen" - en dàt was toch wat u eigenlijk wilde vragen? - zal de gemoederen wel eeuwig bezig blijven houden. En de rechtbanken, waarbij de rechters geneigd zijn tot skepticisme: de vraag valt eenvoudigweg niet te beantwoorden.

Of dient ook gesteld te worden aan de dominee, de arts en de sociaal werker. M.a.w. hier gaat het primair om integriteit.

Of aan ouders. Ze beinvloeden ook, n.l. hun kinderen. En deze onderwerpen zich hieraan niet vrijwillig.

Notities

6) Reeds in 1939 was Erickson op de vingers getikt door een deskundige die aantoonde dat de door Erickson hypnotisch opgewekte kleurenblindheid aan andere parameters voldeed dan echte kleurenblindheid (1967?), en slechts functioneel was.
Maar zou hypnotisch opgeroepen hysterische blindheid dubbel functioneel zijn?

7) Barber ondergraaft het "bewijs" voor een hypnotische staat berustend op de proefnemingen met positieve en negatieve hallucinatie van de reeds eerder genoemde Martin Orne, voor wie ik persoonlijk groot respect koester. Orne had echter zelf al geholpen zijn graf te graven. Hij was het namelijk geweest die tot de conclusie kwam dat het verkeren in hypnotische trance uitstekend te simuleren valt en dat dat er blijkbaar alleen maar van afhangt, hoe veel de simulant over hypnose weet (Orne in Fromm & Shor). Het was dan ook Orne die de massamoordenaar Kenneth Bianchi (die voorgegeven had onder hypnose te handelen maar in het bezit bleek te zijn van uitgebreide literatuur over hypnose) ontmaskerde door hem te laten "hallucineren" maar in een vorm die niet voorkomt, althans in de literatuur nooit beschreven was. Het leverde een schitterende film-documentaire op, maar aantonen dat simulatie desnoods aan te tonen valt levert geen bewijs voor het al dan niet bestaan van hypnose.

8) En wat lichtere kost is te vinden in "The man who mistook his wife for a hat" van Oliver Sacks (1985, Londen: Picador). Hierin wordt de pathologische kant van de zaak bekeken, en het is die kant die oorspronkelijk de aandacht vestigde op verschillen in hersenfunctie links en rechts. En als u meer muzikaal ingesteld bent, dit boek leverde het libretto voor een opera van dezelfde naam, gecomponeerd door Michael Nyman (CBS).
Het wachten is nu nog op de musical.

Korte Bibliografie

(Slechts de belangrijkste werken die speciale argumenten onderbouwen zijn vermeldt; algemeen gangbare opvattingen zijn bijna in elk boek over hypnose te vinden. Het is na meer dan 40 jaar belangstelling voor hypnose ondoenlijk de bron van alle anecdotische kennis te achterhalen)

Bernheim H. (1891) New studies in hypnotism. New York: International Universities Press (Or: Hypnotisme,suggestion, psychothérapie: Études nouvelles)

Erickson M.H. (1967?) Advanced techniques of hypnosis and therapy. Selected papers of Milton H. Erickson, M.D.
(Ed Jay Haley). New York: Grune & Stratton

Estabrooks G.H. (1943) Hypnotism. E.P.Dutton & Co, Inc

Frankel F.H. (1976) Hypnosis: trance as a coping mechanism. New York: Plenum

Fromm E. & Shor R.E. (ed) (1979) Hypnosis: developments in research and new perspectives. New York:
Aldine Publishing Co

Hilgard E.R., Atkinson C.A. & Atkinson R.L. (1971) Introduction to psychology (fifth edition). New York:
Harcourt Brace Jovanovich

Hilgard E.R. & Hilgard J.R. (1975) Hypnosis in the relief of pain. Los Altos: William Kaufman

Hull C.L. (1933) Hypnosis and suggestibility: an experimental approach. New York: Appleton-Century-Crofts

Mesmer F.A. (1814) Mesmerismus. Oder System der Wechselwirkungen, Theorie und Anwendung des thierischen Magnetismus als die allgemeine Heilkunde zur Erhaltung des Menschen.
Uitgave verzorgd door K.C.Wolfart. Facsimile-druk Amsterdam: Bonset

Ornstein R.E. (1972) The psychology of consciousness. Harmondsworth: Penguin

Reiff R. & Scheerer M. (1959) Memory and hypnotic age regression. Developmental aspects of cognitive function explored through hypnosis. New York: International Universities Press

Springer S.P. & Deutsch G. (1981) Left brain, right brain. San Francisco: Freeman

Tart C.T. (ed) (1975) Transpersonal psychologies. New York: Harper & Row

Vroon P. (1976) Bewustzijn, hersenen en gedrag. Baarn: Ambo

Weitzenhoffer A.M. (1953) Hypnotism. An objective study in suggestibility. New York: Wiley & Sons

Zeig J.K. (1982) Ericksonian approaches to hypnosis and therapy. New York: Brunner/Mazel